Nederlanders.fr

Hèt netwerk van, voor en door Nederlandstaligen in Frankrijk - zegt het voort!

Restauratie van een lemen boerderij: waarom cement de grootste vijand is van uw vakwerk

Wie, in Frankrijk een karakteristieke fermette of vakwerkhuis bezit, krijgt vroeg of laat te maken met het onderhoud van lemen wanden (torchis). Bij scheuren of gaten rijden veel huiseigenaren uit gewoonte naar de lokale brico voor een paar zakken kant-en-klaar cement. Begrijpelijk gedacht, maar bouwfysisch gezien is dit het begin van het einde voor uw eikenhouten gebint.

Historisch vakwerk (colombage) is geen star bouwwerk, maar een flexibel, ademend systeem dat continu vocht uitwisselt met de omgeving. Leem onttrekt actief vocht aan de eikenhouten balken, waardoor het hout kurkdroog blijft en eeuwenlang beschermd is tegen rot. Wordt zo'n wand dichtgesmeerd met een harde, dampdichte cementschil, dan kan opstijgend grondvocht nergens meer heen. Het leem achter het cement verandert in natte modder en de houten dragers rotten van binnenuit onzichtbaar weg.

Voor een duurzame restauratie gelden daarom heel andere regels en materialen:

  • De juiste aarde: Werk met de zuivere minerale leemlaag (terre limoneuse) van 20 tot 30 centimeter diepte, vrij van humus en teelaarde.

  • Kalk als afwerking: Gebruik uitsluitend zuivere luchtkalk (CL90) of natuurlijk hydraulische kalk (NHL 2 of NHL 3.5), en vermijd zakken met de toevoeging "Z" (deze bevatten cement).

  • Nooit in de betonmolen: Het mechanische tuimelen vernielt de strostructuur en creëert onhandelbare leemklompen; mengen gebeurt traditioneel met de voeten of met een dwangmenger.

  • Doordacht herstel: Oude cementlagen moeten via décrépissage voorzichtig worden losgeslepen en weggehakt, en zware luikduimen schroeft u direct in het eiken skelet in plaats van in de zachte leemkern.

Om alle recepturen, de jampottest voor aarde, de constructieve details en de tweetalige Brico-terminologie helder op een rij te zetten, is er een uitgebreid restauratiehandboek gepubliceerd. Inclusief een interactief mediadossier met een audiomasterclass, visuele diapresentatie en overzichtelijke infographic.

Lees het volledige artikel en bekijk de dossiers hier:

Handleiding voor een woning opgetrokken uit leem op Infofrankrijk.com

Weergaven: 588

_____________________________

☑️ Beste plaatser van dit bericht,

fijn dat je gebruik maakt van dit forum. Doe alsjeblieft mee met de discussie die volgt op je bericht! Reageer zelf op de reacties die anderen geven. Dat mag ook best een bedankje zijn. 

_____________________________

Rubrieken,

Klik hieronder voor meer berichten in dezelfde rubriek.

20260818, Bouw, Ledenservice

Reactie van loes Heil op 18 Augustus 2026 op 19.02

Moet glasvezel niet vlasvezel zijn ?  Uit stekende studie is VAKWERKBOUW : 600 jaar bouwen met hout en leem in Zuid-Limburg en omstreken van Coen Eggen uitgever Vantilt Nijmegen.  Altijd het stroleem EERST eerst aan de binnenzijde tegen het vlechtwerk aanbrengen en na droging pas de buitenkant !! 

Reactie van Anton Noë, beheerder en gastheer op 19 Augustus 2026 op 6.53

Dag Loes,

in deze context hoort het woord "glasvezel" inderdaad nergens te staan. En ja, wel vlasvezel! Dank voor je scherpe reactie, glasvezel stond als een ongelukkige typo in een oudere versie van de PDF. Die PDF is inmiddels al vervangen; in de huidige versie wordt correct gesproken over stro en crin (paardenhaar/vezels).

Dank ook voor de verwijzing naar het boek van Coen Eggen, Vakwerkbouw – 600 jaar bouwen met hout en leem in Zuid-Limburg en omstreken. Juist dit soort grondig onderzoek naar een regionale bouwtraditie vind ik bijzonder waardevol. En volgens mij zit daar ook meteen de nuance: de traditionele vakwerkbouw kent sterke regionale verschillen. De Franse technische literatuur benadrukt dat eveneens; Cerema wijst er expliciet op dat de uitvoeringswijzen van terre crue regionaal verschillen en dat daarvoor regionale praktijkgidsen zijn ontwikkeld.

Mijn eigen ervaring komt uit de Pas-de-Calais. Wij hebben daar 22 jaar een oude longère gehad, "en carré en dus met een aanzienlijk muuroppervlak, en ik heb in die tijd heel wat leemwanden hersteld. Oude leem gooide ik niet weg. Die liet ik soms dagenlang in een bak met water staan, maakte hem daarna schoon en gebruikte hem opnieuw. Voor het fijnere werk en de toplaag mengde of verving ik die door nieuwe leem die ik lokaal niet kon vinden en bij de Leemshop in Hilversum kocht.

Mijn grondstof kwam verder voor een belangrijk deel gewoon uit de omgeving. Wanneer in de streek een oude schuur of boerderij werd afgebroken, vroeg ik of ik de oude torchis mocht meenemen. Daar keek men soms vreemd van op: voor de eigenaar was het afval, voor mij was het eeuwenoud bouwmateriaal dat met water weer bruikbaar kon worden gemaakt.

De samenstelling was bepaald niet steriel. Traditionele torchis kon behalve aarde, stro en andere vezels ook paardenhaar en paardenmest bevatten — iets wat voor de Picardische bouwtraditie daadwerkelijk is gedocumenteerd. Mijn eigen materiaal was dus letterlijk en figuurlijk de oude shit van de buren. En de naastgelegen manege leverde desgewenst nieuwe grondstoffen.

Dat klinkt misschien primitief, maar het typeert juist hoe lokaal en circulair deze bouwmethode was: aarde van het erf, stro van het land, dierlijke vezels en mest uit de stal, hout uit de omgeving — en materiaal uit een gesloopte muur dat opnieuw in een andere muur kon verdwijnen.

Dat hergebruik is ook een van de mooie eigenschappen van leem: zolang er geen onverenigbare materialen doorheen zijn gewerkt, kun je het materiaal opnieuw nat maken en weer verwerken. Cerema noemt juist die omkeerbaarheid van de kleibinding als kenmerk van bouwen met terre crue; anders dan bij bijvoorbeeld cement is de binding niet onomkeerbaar. Dat maakt leem naar mijn ervaring een buitengewoon vergevingsgezind bouwmateriaal.

Mijn belangrijkste leermeester op afstand was Gilles Bay uit Licques. Ik kwam bij hem terecht via een handel in natuurlijke bouwmaterialen in Noord-Frankrijk. De man in de winkel waarschuwde mij vooraf ongeveer als volgt: “Monsieur Bay zal de telefoon op de haak gooien als hij merkt dat u geen respect hebt voor de oude bouwmethoden.” Dat bleek een aardige karakterisering. Gilles was buitengewoon bevlogen en één boodschap hoefde je na een gesprek met hem nooit meer te vergeten: “Jamais de ciment.”

Ook wat het aanbrengen van de torchis betreft bestaan verschillende methoden. In de Franse Guide de bonnes pratiques du torchis wordt onder andere de pose à cheval beschreven. Daarbij wordt de natte torchis als het ware om het lat- of vlechtwerk heen gewerkt, 'gesmeten' in de prakrijk, je werpt als het ware de leem tegen de binnenstructuur. Als het bleef plakken was het goed. Bij deze methode kunnen de twee zijden van het wandvlak gelijktijdig worden gevormd. Dat is dus een andere werkwijze dan eerst de binnenzijde aanbrengen, volledig laten drogen en daarna pas de buitenzijde. Dat laatste kan binnen een bepaalde regionale bouwtraditie volkomen juist zijn, maar het is geen universele regel voor alle vakwerkbouw.

Ook de afwerking deed ik op advies uit die Noord-Franse praktijk behoorlijk “nat”. Als de laatste leemlaag nog echt vochtig en soms zelfs wat zompig was, bracht ik de eerste lait de chaux / badigeon aan. Daar voegde ik destijds ook een natuurlijke hars aan toe. De eerste kalklaag mengde zich oppervlakkig enigszins met de bruine leem, waardoor je aanvankelijk een wat vlekkerig wit-bruin resultaat kreeg. Een paar weken later volgde een tweede kalklaag en dan werd de wand werkelijk wit.

Dat wil ik overigens niet verheffen tot dé methode. Het is de methode die ik in de Pas-de-Calais heb geleerd en waarmee ik jarenlang goede resultaten heb gehad. De Franse bronnen bevestigen vooral dat je voorzichtig moet zijn met absolute voorschriften: grondsoort, samenstelling van de torchis, vlecht- of latwerk, klimaat en regionale bouwtraditie bepalen mede hoe er werd en wordt gewerkt.

En zulke muren vragen aandacht. Wij liepen de gevels iedere twee à drie jaar goed na: kleine beschadigingen herstellen, plaatselijk bijwerken en waar nodig opnieuw kalken. Dat was geen zware restauratie meer, maar gewoon onderhoud. Juist daardoor bleven die oude wanden in goede conditie.

Het aardige was dat dit in ons kleine dorpje niet onopgemerkt bleef. Na verloop van tijd kwamen eigenaren van andere oude boerderijen vragen of mijn vrouw en ik eens wilden komen kijken hoe zij hun buitenmuren het beste konden herstellen. Dat leverde zelden een rekening op, maar des te vaker een flinke mand groenten of fruit, eieren en soms lamskoteletjes uit hun eigen bedrijf.

Dus nogmaals dank voor de verwijzing naar Eggen. Ik zie daarin geen tegenstelling, maar eerder een mooie illustratie van hetzelfde verschijnsel: oude leembouw is geen uniforme Europese bouwmethode. Het zijn regionale tradities met verschillende materialen en uitvoeringswijzen — en juist daarom moeten we voorzichtig zijn met woorden als “altijd” en “nooit”. Met misschien één uitzondering die Gilles Bay mij zeer overtuigend heeft ingeprent: bij die oude leem- en vakwerkwanden moest ik van hem met cement vooral héél ver uit de buurt blijven.

PS: pas op met adviseurs/verkopers van de grote bouwketens zoals Leroy Merlin, daar wordt torchis als een minderwaardige en achterhaalde techniek gezien en probeerde men mij ervan te overtuigen dat een paar zakken cement het probleem zou oplossen. Niet doen! 

Je reactie hieronder, dit zijn de huisregels. 

Je moet lid zijn van Nederlanders.fr om reacties te kunnen toevoegen!

Wordt lid van Nederlanders.fr

Ga naar...

Laatste nieuws uit Frankrijk

© 2026   Gemaakt door: Anton Noë, beheerder en gastheer.   Verzorgd door

Banners  |  Een probleem rapporteren?  |  Algemene voorwaarden