Nederlanders.fr

Hèt netwerk van, voor en door Nederlandstaligen in Frankrijk - zegt het voort!

De afgelopen maanden stonden de media bol van de opening van een van de mooiste aanwinsten van Parijs; het warenhuis Samaritaine. Op maandag 21 juni 2021 opende de Franse President Emmanuel Macron La Samaritaine, in aanwezigheid van Bernard Arnault, CEO van LVMH, eigenaar van dit luxe warenhuis. Na 16 jaar gesloten te zijn geweest en een verbouwing van 750 miljoen euro is Parijs weer een uniek stukje Frans erfgoed rijker, aldus Macron.

 Na 16 jaar gesloten te zijn is het warenhuis La Samaritaine weer in ere hersteld

Je vindt ze over de hele wereld; luxe warenhuizen. Weinigen weten dat het warenhuis een Franse vinding is. Eigenlijk moet ik zeggen een Parijse vinding. Het begon allemaal in 1852 toen Aristide Boucicaut zijn warenhuis Bon Marché opende. Een zogenaamd Grand Magasin. In 1855 volgt le Bazar Napoléon, dat later wordt getransformeerd in le Bazar de l’Hôtel de Ville, kortweg BHV. Kort daarop in 1865 volgen Jules Laluzot en Jean-Alfred Duclos met Au Printemps en vier jaar later, in 1869 opende Samaritaine, het warenhuis van Ernest Cognacq en Marie-Louise Jaÿ. Parijs kreeg de smaak te pakken. In 1893 openden de Galeries Lafayette hun deuren. Het is la Belle Époque, wat duidelijk te zien is aan de buitenkant van de 'paleizen van de handel'. Prachtige gevels die bol staan van beelden, verguld stucwerk en andere pompeuze decoraties.

 

Le Bon Marché

Voor het chicste warenhuis van Parijs moet je zijn in het zevende arrondissement, aan de rue de Sèvres op de hoek van de rue du Bac. Daar vind je Le Bon Marché. Dit warenhuis op de Rive Gauche is een echt instituut. Deze winkel vol met nouveautés, het eerste echte warenhuis van Parijs, werd opgericht door het echtpaar Aristide en Marguerite Boucicaut en de gebroeders Videau. Een snelle rekenaar weet dat dit prestigieuze warenhuis dit jaar 169 jaar bestaat. 

Wat weinigen weten is dat Le Bon Marche’ (sinds 1984) net als Samaritaine (sinds 2001) eigendom is van LVMH

Aristide verkocht shawls in de winkel van de gebroeders Videau, genaamd Au bon Marché. Zijn vooruitziende blik, handelsgeest en stoute uitbreidingsplannen benauwden de beide broers zo, dat die vervolgens besloten om in 1863 hun aandelen aan Boucicaut te verkopen. Boucicaut leende 2,2 miljoen Franse Francs van Henry-Francois Maillard, die fortuin had gemaakt in New York met onroerend goed, en begon aan de uitbouw van zijn imperium. Als geen ander begreep hij het gedrag van de consument en misschien is hij wel de grondlegger van wat vandaag consumentenmarketing wordt genoemd. Boucicaut introduceerde voorgeprijsde artikelen, in plaats van dat de prijzen alleen bekend waren bij het verkopend personeel. Nam genoegen met lagere winstmarges om zo grotere hoeveelheden te kunnen afzetten. Creëerde op vaste periodes uitverkoop tegen sterk gereduceerde prijzen en een thuisbezorgservice (1860). Speciaal daarvoor liet hij stallen bouwen voor 150 paarden en 100 bezorgkoetsen. In 1867 introduceerde hij de postordercatalogus met een oplage van 500.000 stuks. Bij de postorderdivisie werkte al snel 120 man personeel, goed voor 4000 tot 5000 zendingen per dag. Tevens verzorgde hij kinderopvang voor winkelende moeders. 

Zijn ongelofelijke succes was gebaseerd op een vernieuwende aanpak, die revolutionair was voor die tijd. Voor zijn personeel initieerde hij als eerste een bonussysteem, gebaseerd op verkopen, een 12-urige werkdag, betaalde vakantiedagen, gratis maaltijden, opleidingen, medische verzorging en zelfs een pensioenfonds. Vergis u niet, we spreken van de negentiende eeuw!

De zaken gingen zo goed dat Aristide Boucicaut besloot om in 1872 alle naastliggende gebouwen op te kopen. Het Hospice des Petits Ménages en de Assistance Publique. Dat zelfde jaar bezit hij het gehele blok tussen de rue du Bac, rue de Sèvres, de boulevard l'Enfer - de huidige boulevard Raspail - de rue Babylone en de rue Velpeau. De architecten Boileau en Gustave Eiffel krijgen de opdracht om van de aanpalende gebouwen een eenheid te maken. Gustave Eiffel was een geniale constructeur die, in zijn tijd, de vooruitgang in de architectuur flink vooruit heeft geholpen door de toepassing van staal, in plaats van zware, ouderwetse baksteenconstructies. De Industriële Revolutie; West Europa industrialiseerde en nieuwe technologieën en materialen kwamen niet alleen beschikbaar, maar waren ook nodig om de nieuwe ontwikkelingen te kunnen uitvoeren. Eiffel deed zijn eerste ervaringen op met metaalconstructies toen hij voor spoorwegmaatschappijen in Frankrijk begon te werken. Nog voor dat hij aan de bouw begon van zijn bekendste werk, de toren die naar hem is genoemd, werd in 1876 het warenhuis Le Bon Marché voorzien van een door hem ontworpen, moderne ijzer-glas-cocon.

 

De visie van Eiffel is nog steeds zichtbaar in het luxe warenhuis

Een jaar later overlijdt Boucicaut. Maar zijn geesteskind werd voortgezet door zijn vrouw Marguerite en zijn zakenvrienden van het eerste uur: Narcisse Fillot, Émile Morin en Jules Plassard. De kooptempel inspireerde zelfs schrijver Émile Zola  voor zijn werk 'Au Bonheur des Dames' gepubliceerd in 1883. Au Bon Marché is en blijft een van de meest exclusieve plaatsen om te winkelen in Parijs. Op de dames- en herenafdeling vindt u de laatste ontwerpen van alle Franse modehuizen. De parfum- en lingerieafdeling zijn ruim voorzien met juist dat, waar de Fransen al zo lang beroemd om zijn. Zelfs in de paskamers hangt een handige telefoon waarmee u kunt vragen om een andere maat. De delicatessenafdeling in de naastliggende Grande Épicerie is nog steeds een van de mooiste van Parijs. In het park recht tegenover de Bon Marché staat een enorm standbeeld van Marguerite Boucicaut als symbool van goedheid en barmhartigheid, terwijl zij de hongerige spijst. Na haar dood in 1887 laat zij al haar geld na aan diverse goede doelen en ruim 5 miljoen Franse Francs aan het pensioenfonds van haar personeel. 

Wat weinigen weten is dat Le Bon Marche’ (sinds 1984) net als Samaritaine (sinds 2001) eigendom is van LVMH (Louis Vuitton Moët Hennessy). LVMH is het grootste conglomeraat ter wereld van luxeproducten. Het Franse bedrijf is gevestigd in Parijs en is voor een overgrote meerderheid in handen van de Groupe Christian Dior. Deze groep heeft wereldwijd meer dan 77.000 mensen in dienst en 2400 winkels over de hele wereld.

 

Printemps

Op 3 november 1865 opende dit warenhuis zijn deuren als koophuis met vaste prijzen. De winkel, naar een ontwerp van de bekende architecten Jules en Paul Sedille, opende op de hoek van Le Havre en de Boulevard Haussmann. De winkel werkte met vooraf vastgestelde prijzen, terwijl het in die tijd heel gewoon was dat een prijs uitsluitend werd vastgesteld door loven en bieden. Het gebouw werd sterk uitgebreid in 1874, met liften (toen een grote nieuwigheid) afkomstig van de Wereldtentoonstelling van 1867. In 1888 installeerde het als eerste warenhuis elektriciteit en het was ook een van de eerste warenhuizen met een directe verbinding met de metro (1904).

 

Pintemps Haussmann

In het begin van de 20e eeuw werd het gebouw vervolgens uitgebreid langs de Boulevard Haussmann door architect Rene Binet in een Art Nouveau-stijl en in 1923 werd de 42 meter hoge Art Nouveau-koepel het middelpunt van het warenhuis, om in 1939 weer te worden gedemonteerd. Dit om te voorkomen dat hij onherstelbaar zou worden beschadigd bij eventuele bombardementen. De koepel werd opgeslagen bij Clichy en pas in 1973 weer in ere hersteld en geheel gerestaureerd door de kleinzoon van de oorspronkelijke ontwerper. Helaas is de prachtige Art Nouveau-trap in 1955 verwijderd. Ondanks twee grote branden bleef het warenhuis zich vernieuwen. In 1975 werd de gehele voorgevel  geclassificeerd als historisch monument.

Gelukkig zijn de klassieke elementen na de restauratie bewaard gebleven

In 2008 onderging het warenhuis een totale restyling onder leiding van het architecten duo George Yabu en Glenn Pushelberg. Yabu en Pushelberg, bekend van de restyling van het New Yorkse Bergdorf Goodman, gingen voortvarend aan de slag gegaan om het gehele warenhuis te voorzien van een totaal nieuw interieurontwerp van internationale allure dat tegelijk onmiskenbaar Frans oogt. Een groot deel van de plafonds tussen het souterrain, parterre en de eerste etage zijn verdwenen waardoor een geweldig atrium is ontstaan, geïnspireerd op de magische glazen koepel op de zesde etage. Een groot kunstwerk van de Japanner Hirotoshi Sawada siert de vide. Grote zilverkleurige bladen hangen in het luchtledige en reflecteren het licht. De oorspronkelijke zwart marmeren vloeren zijn vervangen door vloeren van wit marmer. 18 luxe boetieks, met een totale oppervlakte van 6000 m², hebben één centrale architectuurstijl met sterke grafische lijnen. Elegante stellages van glas, zwart hout en roestvrij staal. De Canadese kunstenaar Pascale Girardin bedacht voor de ingangen twee enorme zwevende clusters van witte handgemaakte polycarbonaat bloemen. Last but not least zijn alle voorgevels opnieuw gerestaureerd en alle ornamenten en koepels opnieuw voorzien van bladgoud. De totale kosten van de vijf jaar durende verbouwing; ruim 70 miljoen euro.

 

Een groot kunstwerk van de Japanner Hirotoshi Sawada siert de vide. Grote zilverkleurige bladen hangen in het luchtledige en reflecteren het licht

De cosmetica-afdeling van Printemps is een van de mooiste van Parijs en voert meer dan 200 cosmetica merknamen. Ook vind je maar liefst 7 restaurants in dit warenhuis: Ladurée, Brasserie Printemps, Café Pouchkine en Pouchkine terras, Cojean, Perruche en Café Jules, vernoemd naar de oprichter van Printemps; Jules Jaluzot. Le brasserie Printemps mag je niet missen; deze is gevestigd onder de 42 meter hoge dôme, bestaande uit 3185 glazen panelen geheel in Art Nouveau-stijl. Vergeet ook niet de negende etage met een prachtig panoramisch terras met een onbelemmerd uitzicht. Hier vind je Perruche, een groene oase waar het goed lunchen is of gewoon om iets te drinken. Het terras loopt gelijk met de prachtige zinken daken om je heen, af en toe onderbroken door indrukwekkende architectuur zoals het Palais Garnier, de Madeleine, het Grand Palais, de Eiffeltoren en la butte Montmarte met de Sacre Cœur.

 Le brasserie Printemps mag je niet missen; deze is gevestigd onder de 42 meter hoge dôme, bestaande uit 3185 glazen panelen geheel in Art Nouveau-stijl

Samaritaine

De geschiedenis van Samaritaine heb ik uitgebreid beschreven in mijn blog van 7 juli 2021.

Het opende zijn deuren in 1869 als een klein zaakje. De eigenaars waren Ernest Cognacq en zijn vrouw Marie Louise Jay, eens verkoopster bij het warenhuis Le Bon Marché. Hun leven lijkt wel de verwezelijking van de American Dream. Een weeskind dat het brengt van straatventer tot oprichter van La Samaritaine. De naam, La Samaritaine, is ontleend aan de waterpomp bij de Pont Neuf in de tijd van Hendrik IV. Het begon allemaal met het succesvol verkopen van stropdassen in een klein zaakje op de hoek van de rue Pont Neuf en de rue de la Monnaie. Toen Cognacq in 1883 hoorde dat de aangrenzende middenstandswoningen te koop kwamen was dit de aanzet tot de eerste winkel van de ‘Grand Magasins de la Samaritaine’.

 Het rijke interieur van La Samaritaine. Na een verbouwing van 750 miljoen euro is Parijs weer een uniek stukje Frans erfgoed rijker

Galeries Lafayette

In december 1893 openden de neven Théophile Bader en Alphonse Kahn een winkel met naaigerief, dat 'Aux Galeries Lafayette' werd genoemd. De naam van de winkel verwees naar het oorspronkelijke adres aan de rue La Fayette, op wandelafstand van de Opera Garnier. In 1905 gaf Bader de Franse architect Georges Chedanne de opdracht om nieuw aangekochte gebouwen (rue la Fayette 38, 40 en 42) volledig te herbouwen, wat duurde tot in 1907.  Weer een aantal jaren later werd Galeries Lafayette uitgebreid met de aankoop van het pand aan de boulevard Haussmann nummer 15 en groeide uit tot het indrukwekkende warenhuis dat we nu kennen.

Vanaf de derde etage heb je een prachtig overzicht op de koepel

Pas in 1912 kreeg Lafayette de monumentale koepel in Byzantijnse stijl van gekleurd glas en smeedijzer, een ontwerp van de Franse architect Ferdinand Chanut. Maar liefst 33 meter hoog. Het metalen frame steunt op 10 punten en is voorzien van  gebrandschilderd glas, rijkelijk versierd met bloemmotieven dat weer zorgt voor een prachtig goudkleurig licht.  De rijk geornamenteerde balustrades zijn van de hand van Louis Majorelle. De koepel gaf het gebouw de bijnaam "Magasin Coupole".

 

Zicht op de constructie van de koepel heb je op de vijfde etage van het warenhuis

Wat je zeker moet doen is een bezoek brengen aan de vijfde etage waar je door de binnenramen kunt kijken naar de speciale ijzeren constructie van de achterkant van de koepel. Met de roltrappen ga je naar de zevende etage en vervolgens met trappen naar de achtste etage. Vanaf het terras wordt je  gratis getrakteerd op een adembenemend uitzicht over Parijs. Met name het uitzicht op de Opera Garnier is spectaculair. Volgens een gedenksteen is op dit zelfde dak op 19 januari 1919 een vliegtuig geland. Ook kun je de stalen buitenconstructie bekijken die de grote binnenkoepel van daglicht voorziet.

Volgens een gedenksteen is op het dak van Galeries Lafayette op 19 januari 1919 een vliegtuig geland
Tenslotte adviseer ik je om zeker in december een kijkje te nemen in Galeries Lafayette. Onder de koepel, op de plek waar Edith Piaf in 1950 haar chansons; ‘la Vie en rose’, ‘l'Hymne à l'amour’ en ‘La plus belle histoire d'amour’ ten gehore bracht, staat dan een immense kerstboom met een hoogte van meer dan 25 meter.

Weergaven: 917

Rubrieken,

Klik hieronder voor meer berichten in dezelfde rubriek.

20211021, Kunst en Cultuur, Parijs

Reactie van Ferry van der Vliet op 6 November 2021 op 11.25

@ Fons, voor zover ik weet was Galleries modernes alleen in Nederland gevestigd.

Reactie van louise meertens op 6 November 2021 op 19.59

Reactie van louise meertens 3 uur geledenReactie wissen

Zie dat Gallerie Moderne vergeleken wordt met de prachtige Parijse warenhuizen. Wanneer men de etalages in de decembermaand vergelijkt met die van de Bijenkorf in Amsterdam of Macy's in New York, akkoord. Ik herinner mij de galerie moderne in de reguliersbreestraat,naast het prachtige Tuschinski theater, wat een armoej. De HEMA kon er zo intrekken zonder een beetje de gevel te verbouwen . Heb vele verhalen gehoord over de corruptie bij het ambtelijk apparaat van bouw en woningtoezicht maar denk dat de toenmalige wethouder en of de welstandcommissie een leuk bedrag ontvangen hebben.

Parisiens (enTokyotes) zijn vaak gekker op de verpakking dan op de inhoud van een cadeau, zoals Bas Heijne beschreef over Fransen in de NRC begin oktober onder de titel ; VERSIEREN , INPAKKEN,  UITPAKKEN ,Volgens mij het liefst in matruschka's met strikjes om elke om dan in de laatste, bij voorbeeld, een diamantje te krijgen.

Voor de niet abonnees op de NRC; 

Parijzenaars, schrijft Bas Heijne, zijn enorm gehecht aan symbolen en rituelen – wat zich uit in overdadige, volgepakte interieurs en een voorliefde voor fraaie verpakkingen. ‘De manier waarop iets wordt gepresenteerd, de buitenkant, is bijna even belangrijk als wát er wordt gepresenteerd.’


Die lege slaapkamer, met alleen een bed en een affiche aan de muur, ikzelf vind het strak en cool (een Frans stopwoord), een kleine oase van rust en leegte. Mijn kennissen vermoeden een gebrek aan persoonlijkheid.De Parijse huizen en appartementen die ik de afgelopen jaren heb bezocht laten dan ook bijna altijd het tegenovergestelde zien. Ze zijn volgestouwd. Ruimte bestaat om gevuld te worden, een lege muur lijkt bij de bewoners een gevoel van horror vacui op te roepen. Op een tafel horen boeken, kaarsen, ingelijste foto’s, asbak, dingetjes. Ook kasten horen vol te zijn, boeken, vazen, beeldjes.

„Aan echt alles hier zie je dat jij niet Frans bent”, stelde een jonge filmmaker nuchter vast toen hij op een ochtend koffie kwam drinken. Hij woont verderop in de straat – in een propvol appartement van zijn grootouders, die zelf onder hem wonen. De filmmaker heeft er nog wat spullen van zichzelf, zoals een tapijt dat hij tijdens een reis door Marokko kocht, aan toegevoegd.

Meestal is volte onvermijdelijk in Parijs, omdat de ruimte beperkt is. Ik ben in appartementen geweest met het formaat van een inloopkast, waarin je, zodra je binnen stond, twee opties had: je voorover op het bed laten vallen of rechts de douche in. Mensen met een goedbetaalde baan draaien hun wasjes in de wasserette, omdat ze domweg geen plaats hebben voor een wasmachine. Benauwdheid is een gegeven voor de meeste Parijzenaars – als ze het zich al kunnen veroorloven om in de stad zelf te wonen. De meesten wonen in de banlieue.

Van de Parijzenaars die geen dak boven hun hoofd hebben en op straat slapen, hoorde ik onlangs, heeft maar liefst 20 procent een vaste baan. Je slaapt op Gare du Nord, frist je ’s ochtends op in de wc van McDonald’s, en gaat naar je werk.

Maar de volte in veel Parijse appartementen is niet alleen noodzaak, het zit dieper. Het zit in het Franse culturele dna. Less is hier zelden more, het is gewoon less. Ook grotere appartementen zijn vaak volgepakt, zonder veel oog, lijkt het, voor arrangement, voor inrichting. Meestal zijn het gewoon heel veel spullen bij elkaar.

Een tijdje terug bezocht ik het Musée Gustave Moreau, dat zich bij mij in de buurt bevindt, in de Rue de la Rochefoucauld. Het museum bestaat niet alleen uit het atelier van de negentiende-eeuwse symbolist, van plint tot plafond volgehangen met zijn decadente doeken, maar ook uit zijn woonhuis, dat in de oorspronkelijke staat bewaard is. Moreau’s woning is niet uitzinnig zoals zijn schilderijen, eerder negentiende-eeuws burgerlijk. Alles, maar dan ook alles in die kamers lijkt beschilderd, bedekt met kleedjes, opgesmukt. Het is echt zoeken naar een lege plek.

In de negentiende eeuw hielden ze van spullen, ik weet het, en in de eeuw vóór de komst van het scherm moest je het visueel doen met geschilderde en getekende landschappen en portretten. Maar deze aandrang is ook in het huidige Parijs nog springlevend.De afgelopen zomer kregen we in een bed and breakfast ten zuiden van Bordeaux het gevoel in een negentiende-eeuws boudoir – of uitdragerij – beland te zijn; overal stapels boeken, tapijten, kandelaars, fotoportretten in lijstjes, schilderijen – en in het toilet een alkoof vol met gipsen heiligenbeelden, Jeanne d’Arc inbegrepen.

Die gezochte rommeligheid beperkt zich niet alleen tot oude spullen, maar strekt zich ook uit naar wat hier voor modern design doorgaat. Die is, wat de gemiddelde Parijzenaar betreft, blijven hangen in de jaren zeventig, de jaren van de pop-art en de disco. Ludieke vormen, spiegeleffecten en felle kleuren.

Wanneer Monoprix een gerenommeerde designer vraagt een collectie borden, bekers en kopjes te ontwerpen die voor iedereen betaalbaar is, verwacht dan een explosie aan felle kleuren en wilde motieven. In de Rue Claude Bernard in het vijfde de arrondissement bevindt zich een winkel met modern design, lampen, tafels, banken. Iedere keer dat ik langs de etalage loop, vraag ik mezelf wat ik graag in mijn appartement zou zien staan. Nooit zie ik iets. Het is allemaal te opzichtig, op een komisch assertieve manier.

Zulke alledaagse observaties staan haaks op het imago van Parijs als stad van licht en schoonheid, van overweldigend mooie stadsgezichten, feilloze chique interieurs, subtiel design, en een altijd adembenemend goedgeklede bevolking. Het is het Parijs uit de Netflix-serie Emily in Paris en al die romantische films waarin de personages de liefde vinden of bejaarde echtparen de smaak in het leven en in elkaar terugvinden in subliem ingerichte appartementen en luxueuze sterrenrestaurants. Dat Parijs bestaat, het is meer dan een romantisch cliché, maar het gaat om de sociale bovenlaag, de erfgenamen van de classicistische traditie in de Franse cultuur, met zijn hang naar orde en geometrische vormen in gebouwen, parken en tuinen. In werkelijkheid kleden opvallend veel Parijzenaars buiten het centrum zich adembenemend slecht. Veel personeel dat bedient in gewone restaurants zou in Nederland door de baas naar huis worden gestuurd om iets fatsoenlijks aan te trekken.Tegenover het voortdurende verheerlijken van een grootse culinaire cultuur, een diepgewortelde liefde voor goed eten en drinken, staat opvallend vaak de schrale realiteit van een onbegrijpelijk slonzige eetcultuur. Het is vermoedelijk het effect van een samenleving die in de kern niet egalitair is, alle opstand en revolutie door de eeuwen heen ten spijt. Magnetronmaaltijden in de supermarkt zijn ongegeneerd vies. In de diepvriesketen Picard, winkels met de uitstraling van een mortuarium, waar al het eten bevroren is, heb ik nog nooit iets echt lekkers gevonden. Alle gerechten worden waterig bij het ontdooien. Er zijn in Parijs bijna net zoveel Picards als apotheken. Wanneer je je verbazing daarover laat blijken, volgt een defensieve reactie: „Maar de vis is wèl goed.”

Ik heb sinds drie jaar een vaste plek in Parijs, de stad past me als een handschoen, maar soms verlang ik ineens naar een, zoals Gerrit Kouwenaar dichtte, „totaal witte kamer”.

Dat sporadische verlangen komt voort, heb ik ontdekt, uit mijn eigen culturele dna. Ik was me er helemaal niet van bewust dat ik zoiets had voordat ik hier kwam. Maar wonen in een stad waar de mensen veel dingen anders doen, confronteert je met je eigen aannames en gewoontes, die ineens niet meer vanzelf spreken.

Het heeft me doen beseffen dat de meeste cultuurverschillen tussen mij en veel Parijzenaars zijn terug te voeren op een enkele oorsprong: het verschil tussen een katholieke en een protestante cultuur. Dat heeft niets met geloof te maken, maar alles met een houding, een manier van kijken en beleven. Zo’n beetje iedereen in Frankrijk, kan je stellen, dus ook protestanten, moslims en ongelovigen, heeft uiteindelijk een katholieke inslag. Iedereen in Nederland, ook katholieken, moslims en ongelovigen, denkt min of meer als een protestant. Misschien is Limburg een uitzondering.

Het komt er kort gezegd op neer dat in de katholieke cultuur symbolen en rituelen noodzakelijk worden gevonden, terwijl het in een protestante cultuur gaat om zo direct mogelijk tot de kern te komen, zonder omweg of opsmuk.

Waar dat verschil zich in uit? Die neiging om van iedere ruimte een bazaar vol spullen te maken, voert denk ik daarop terug. Maar een ‘katholieke’ cultuur kent nog een andere eigenschap, die een ‘protestante’ geest moeilijk kan bevatten: de gedachte dat de manier waaróp je iets doet minstens zo belangrijk is als wát je doet.

De manier waarop je dingen doet lijkt hier, meer dan elders, onlosmakelijk verbonden met je gevoel voor eigenwaarde. Dat houdt in dat je je instinctief zult verzetten tegen ieder voorstel om iets voortaan anders te doen. Wanneer het ineens anders moet, word je immers tot in je wezen geraakt. Een jonge hoogleraar wiskunde bevestigde dat tijdens een diner bij hem thuis: „Hier gaat het niet om wie je bent, maar om wát je bent.” Dat is de reden dat men onmiddellijk in een kramp schiet wanneer kleine privileges op het werk in het geding komen.

Een Parijse vriend vertelde me over een vriend van hem die bij een bank werkt; iedere keer dat die promotie maakt, krijgt hij een bureau van een betere houtsoort. Hij is nog geen dertig, maar nu al heeft hij het tot eikenhout gebracht. De vriend die het me vertelde, moest er zelf ook om lachen, maar hij begrijpt het wel.

Hij behoort tot de jonge generatie, die minder geeft om ‘privilege’ en die vertrouwd is met nieuwe technologie en in toenemende mate internationaal is georiënteerd. Hij is ervan doordrongen dat andere manieren van organiseren efficiënter en goedkoper kunnen zijn. Maar voor veel oudere Fransen kan een praktische instelling nooit een reden zijn voor verandering.

Een makelaar uit Parijs, die ook een aantal jaren in Nederland had gewerkt, drukte het zo uit: „In Nederland probeert men een rechte lijn naar het doel te vinden. In Frankrijk bestaat dat doelmatige niet, iedere lijn is een zigzag. Wanneer je in Nederland een huis koopt, krijg je een contract van hoogstens tien pagina’s om te ondertekenen. In Frankrijk krijg je zo’n pak papier mee. En alles duurt eindeloos.” Die beruchte bureaucratie met haar vaak absurde formaliteiten maakt ook veel Fransen hoorndol, maar ondanks de digitalisering blijkt ze verdomd hardnekkig, zeker waar het de relatie van burger en overheid aangaat. Je kunt ook zeggen: in een cultuur waarin vorm en inhoud vaak samenvallen, geeft die enorme stapel papier, hoe gekmakend ook, betekenis aan zoiets belangrijks als de aankoop van het huis. Rompslomp is alleen tijdverspilling als je geen oog hebt voor de zin van het ritueel.

Een ander aspect van een katholieke cultuur is dat de verpakking, de versiering, de opsmuk, als essentieel wordt ervaren – en niet als franje. De manier waarop iets wordt gepresenteerd, de buitenkant, is bijna even belangrijk als wat er wordt gepresenteerd. Hoe een taartje in de patisserie eruitziet is vanzelfsprekend voor iedereen belangrijk, maar in Parijs zeker ook hoe het ingepakt wordt. Wanneer ik chocolade koop in de winkel van Alain Ducasse bij mij in de straat, heb ik het gevoel een bezoek aan een juwelier te hebben gebracht. De merengue taarten van La Meringaie een eindje verderop zijn al kunstwerkjes op zich, maar de even ingenieuze als chique dozen waarin ze worden verpakt, zijn misschien nog wel mooier.

Voor een protestante geest is en blijft het een extraatje, best wel leuk en mooi, zij het vaak een beetje overdone. Uiteindelijk gaat het erom hoe de taart smaakt.

Voor Franse seks geldt eigenlijk hetzelfde: de verpakking, de lingerie, het spel, het clandestiene, de pikante spanning eromheen is minstens zo wezenlijk als de seks zelf. Franse komedies gaan vaak, of liever bijna altijd, over liegen en neuken, en meestal lieg je om te kunnen neuken. Tijdens de lange lunchpauzes op kantoor wordt niet alleen gegeten.

Het verklaart het gesputter van een oudere generatie wanneer er, zoals bij de #metoo-beweging, verzet ontstaat tegen een cultuur van seksuele manipulatie en intimidatie. Dan wordt steevast paniekerig een beroep gedaan op de Franse traditie van la galanterie, het oeroude spel van verleiding tussen man en vrouw, waarin zachte drang en overgave zo belangrijk worden gevonden. Als je dat allemaal afschaft, klinkt het dan gepikeerd, hou je helemaal niets over!

Zelfs in de vernietigende Netflix-documentaire over Dominique Strauss-Kahn, een chronisch oversekst roofdier dat er plezier in schiep vrouwen met machtsvertoon te overmeesteren, duiken sussende stemmen van generatiegenoten op die verwijzen naar de Franse traditie van de libertinage, de filosofie van het bespringen van alles en iedereen. Een Franse traditie is er niet voor niets, is ook hier de impliciete boodschap. Wie zich tegen de traditie keert, maakt onherroepelijk iets stuk.

Als de verpakking bijna net zo belangrijk is als de inhoud, komt er als vanzelf veel creativiteit los wanneer er iets verpakt moet worden, of het nu een taartje, een lichaam, of een gebouw is. Niet voor niets hebben Christo, die in 2020 overleed, en zijn vrouw Jeanne-Claude het inpakken zelf tot ware kunst verheven – hun onlangs uitgevoerde project bestaat uit een ingepakte Arc de Triomphe. Tegenover de Franse stugge angst voor verandering staat in Parijs de mode, die juist oneindig wendbaar, inventief en vluchtig is. Mode in kleren, mode in kleuren, mode in ideeën, mode in uitdrukkingen, mode in restaurants, soms zelfs hele quartiers, die even in zijn.

Een protestante cultuur kan in zijn neiging tot verzakelijking en pragmatisme bloedeloos en saai worden – en is geneigd alles wat met kunst en cultuur te maken heeft als franje te beschouwen, als een ‘hobby’. Daar heeft men, dat weet iedereen, in Frankrijk geen last van. Niet voor niets is het slot van Baudelaires gedicht ‘L’invitation au voyage’ zo’n beetje de meest geciteerde regel uit de Franse poëzie: ‘luxe, calme et volupté’. Dat is de Franse hemel op aarde.

Maar hier in Parijs slaat de hang naar verpakking en versiering vaak door naar esthetiek die niet meer is dan dat – mooi. Een protestante ziel verlangt naar een vorm die dienstbaar is aan de inhoud en krijgt een ongemakkelijk gevoel wanneer het omgekeerde het geval is.

Onlangs bezocht ik de pas geopende Bourse de Commerce, de nieuwe Parijse attractie, waar de steenrijke zakenman en kunstverzamelaar François Pinault zijn collectie moderne kunst heeft gehuisvest. Het door de Japanse architect Tadao Ando volledig getransformeerde negentiende-eeuwse beursgebouw in hartje Parijs is zo indrukwekkend, zo oogverblindend mooi, dat veel kunstwerken er zelf een beetje bleek bij afsteken – enkele hoogtepunten daargelaten.

Hetzelfde, maar dan in een overtreffende trap, kun je zeggen van het nieuwste prestigeproject van Pinaults aartsrivaal, de nog rijkere Bernard Arnault: het volledig in z’n oude glorie herstelde warenhuis La Samaritaine. Het art nouveau interieur is oogverblindend, je kijkt je ogen uit bij alle liefdevolle gerestaureerde details. Maar ook hier domineert de verpakking de inhoud, de uitgestalde luxegoederen doen eerder protserig dan aanlokkelijk aan. Het lijkt alsof je in een permanente tentoonstelling over zielloze luxe bent beland.

De protestant in mij huiverde – en ik was niet de enige. Terwijl ik er rondliep heb ik heel wat bewonderende blikken op de gezichten van de buitenlandse bezoekers gezien. Maar ik heb niemand iets zien kopen.

Reactie van fons rietmeijer op 6 November 2021 op 22.15

Mooi betoog Louise . om aan te sluiten bij je verhaal over de verpakking : eergisteren in Lille een doosje met goufres gekocht bij Meert een chique patisserie : 6 wafeltjes a 3 euro per stuk in een beeldig doosje in een fantasties imponerend interieur met knipmessende chic winkelpersoneel (uh) .18 euro verder en toch ook nogmaar een zakje met quimauves a 9,- euro. de eerste en de laatste keer... wat mij betreft....blijft de vraag wat we aanmoeten met dat hele gebied tussen de rivieren ( brabant en limburg ......belgie en les pays bas francais...laat zich dat categoriseren als ?

Je reactie hieronder, dit zijn de huisregels. 

Je moet lid zijn van Nederlanders.fr om reacties te kunnen toevoegen!

Wordt lid van Nederlanders.fr

GA DIRECT NAAR:

ENTREPRISE | SPONSORS

Gebeurtenissen

© 2022   Gemaakt door: Anton Noë, beheerder en gastheer.   Verzorgd door

Banners  |  Een probleem rapporteren?  |  Privacybeleid  |  Algemene voorwaarden